Kan je op ballonnen staan?

Een knaller van een experiment!
Met hoeveel vrienden kan jij op één ballon gaan staan? En op 10 ballonnen?
Ballonplank 7

Wat heb je nodig? 

  • Stevige plaat (1 m x 1 m) met gladde onderkant
  • Minimum 10 ballonnen
  • Enkele proefpersonen
Ballonplank
Ballonplank 2

Aan de slag!

Stap 1: Blaas de ballonnen op. Let op dat ze ongeveer even groot zijn en niet té gespannen staan.

Stap 2: Plaats de ballonnen naast elkaar op de grond. Leg iets glads (bv. vinyl) op de grond als die oneffen is.

Stap 3: Zet de plaat op de ballonnen.

Stap 4: Vraag aan een proefpersoon om langzaam op de plank te gaan staan. Gaan de ballonnen stuk, denk je?

Stap 5: Vraag aan je proefpersonen om één voor één plaats te nemen op de plank. Verdeel het gewicht. Laat eventueel iemand de plaat vasthouden tot er drie personen op staan. 

Hoeveel personen passen er op de plank zonder de ballonnen te laten knallen?

Ballonplank 6

Wat gebeurt er?

Je kan met velen op de plank gaan staan zonder dat de ballonnen stuk gaan.

Hoe zit dat?

Als je je voet op één ballon zet, springt die al snel uit elkaar. Je zet namelijk heel wat kracht op een klein oppervlak. Je oefent een hoge druk uit, zeggen we dan. Druk is immers gelijk aan kracht per oppervlakte.

Maar als je op een heleboel ballonnen tegelijk gaat staan, blijven ze verrassend genoeg heel. Hoe komt dat? De plaat verdeelt de kracht die je uitoefent op de ballonnen over een groot oppervlak. Je hebt dus ook een lage druk, die niet sterk genoeg is om de ballonnen te doen knallen.

Waar kom je dat nog tegen?

Toepassingen die gebruik maken van een hoge of lage druk vind je overal. 

De naald van een spuit bijvoorbeeld is heel smal (klein oppervlak). Daarmee oefen je dus een hoge druk uit. Zo kan je gemakkelijk door huid prikken. 

Sneeuwschoenen hebben dan weer een groot oppervlak. Je oefent er een lage druk mee uit, zodat je niet door de zachte sneeuw zakt. 

Ballonplank 10
Wiskundige initiatie:
2.7 De kleuters kunnen verandering, beweging, (snelheid) die ze met hun eigen lichaam ervaren of die ze bij voorwerpen, verschijnselen of bij andere mensen waarnemen, verwoorden
Wetenschap en techniek:
1.1 De leerlingen kunnen gericht waarnemen met alle zintuigen en kunnen waarnemingen op een systematische wijze noteren.
Wiskunde, exacte wetenschappen en technologie:
A-stroom 6.24: De leerlingen leiden de uitwerking van krachten af uit authentieke contexten.
B-stroom 6.14: De leerlingen geven voorbeelden van de uitwerking van krachten in authentieke contexten.